HOOFDSTUK 24 @BRK#Gilan veranderde op het allerlaatste moment toch nog van mikpunt. Het stuitte hem op een of andere manier tegen de borst om een ongewapende, nietsvermoedende man dood te schieten – zelfs als dat een vijand was. Maar de man in het water moest natuurlijk wel worden tegengehouden en hij bood maar een klein doelwit. Alleen zijn hoofd en schouders staken boven het oppervlak van de rivier uit. Gilan koos voor de rechterschouder en schoot. Hij hoorde de andere vier boogschutters, naar zijn voorbeeld, vrijwel meteen na hem ook afvuren. Zijn pijl volgde een licht gekromde boog en trof de man in zijn schouder. Hij schreeuwde het uit van de pijn en stopte met zwemmen. Daardoor ging hij bijna meteen kopje-onder, om een paar meter verder stroomafwaarts weer omhoog te komen. Hij schreeuwde het opnieuw uit, maar probeerde met zijn linkerarm ook nog wel iets te doen wat op zwemmen leek. Zijn kameraden op de oever zagen het gespartel enige seconden geschrokken aan. Toen het geschreeuw aanhield begonnen ze het touw weer binnen te halen, zodat de gewonde man ook terug naar de oever werd getrokken. Hij ging op zijn rug in het water liggen en spartelde een beetje met zijn voeten in een poging zo snel mogelijk het droge weer te bereiken. De andere boogschutters kenden niet de luxe dat ze ervoor konden kiezen hun doelwit uitsluitend te verwonden. Gilan was de beste schutter van de hele groep en kon daarom vol zelfvertrouwen op iemands schouder mikken. Zij waren met zo’n klein doelwit al blij als ze überhaupt raak zouden schieten. Een van de mannen werd in de borst geraakt. De pijl trof hem twintig centimeter onder het wateroppervlak. Hij schreeuwde even, gooide zijn handen omhoog en verdween onder water. De mannen op de kant die de touwen vasthielden wilden hem in veiligheid brengen, maar toen hij een paar meter verderop weer naar boven kwam vertoonde hij geen enkel teken van leven meer. De derde zwemmer zag drie pijlen in het water vlak om hem heen inslaan en riep doodsbang naar de kant om redding. Een van de pijlen schampte met de vlijmscherpe punt zijn arm, en het water om hem heen kleurde al snel rood. Zijn kameraden op de kant begonnen hem in reactie op zijn geschreeuw zo gauw mogelijk naar hen toe te trekken. Door de snelheid waarmee hij door het stromende water werd getrokken ontstond er een flinke golf. Daarvan kwam af en toe wat water in zijn mond terecht, waardoor hij hoestend en kokhalzend de wal bereikte. ‘Niet meer schieten,’ zei Gilan zachtjes. ‘Op de plaats rust.’ Het had geen zin nog meer pijlen te verbruiken. De zwemmers waren terug naar de wal en de vijand verkeerde weer in een toestand van chaos. De mannen aan de touwen op de kant schreeuwden naar hun kameraden dat ze met hun schilden bescherming moesten komen bieden – iets waar ze liever geen gehoor aan gaven, omdat ze die schilden zelf veel te hard nodig dachten te hebben. Gilan zag zijn kans schoon om de vijand nog wat verder te demoraliseren en schoot een pijl op het groepje op de oever. Hij mikte op een van de mannen aan de touwen en trof hem in zijn been. De man viel geschrokken in het gras, greep met beide handen naar de wond en smeekte zijn kameraden om hulp. Ze trokken zich niets van hem aan en deden alleen maar harder hun best de gewonde zwemmer naar de kant te slepen. Zodra ze hem in het ondiepe deel van de rivier hadden getrokken sprongen twee mannen erin, pakten hem bij zijn armen en begonnen hem naar de veiligheid van het bos te slepen. Van zijn gekerm trokken ze zich niets aan. De zwemmer die in zijn borst was getroffen was overduidelijk dood. Hij maakte in het ondiepe water geen enkele beweging meer, behalve dat zijn benen langzaam op de stroming mee heen en weer deinden. De mannen die hem naar de kant hadden gesleept aarzelden even, sneden toen de touwen door en renden terug naar het bos. Een van de twee had nog de tegenwoordigheid van geest om de in zijn been getroffen kameraad te helpen. De stroming bleef zachtjes aan de dode in het ondiepe water trekken, tot hij uiteindelijk terug de diepere rivier in werd getrokken en stroomafwaarts wegdreef. Het water draaide hem nog een laatste keer om, zodat hij met zijn gezicht naar beneden kwam te liggen, en meteen daarna verdween hij bij een lichte kromming in de rivier uit het zicht. De derde zwemmer krabbelde in het ondiepe deel van de rivier overeind en spetterde het droge op. Het bloed gutste nog altijd uit de wond. Hij had absoluut geen aandacht voor zijn kameraden, maar sprintte zonder verdere plichtpleging naar de veiligheid van het bos. Het touw zat nog om zijn middel vast en slingerde als een slang door het gras achter hem aan. Gilan schoot een pijl rakelings langs zijn hoofd om hem tot wat meer spoed aan te zetten. En de man bleek inderdaad nog over reserves te beschikken, want hij holde nóg sneller verder dan voorheen. Daarna gebeurde het onvermijdelijke. Het stuk touw dat hij achter zich aan sleepte sloeg om een dunne boomstam en kwam muurvast te zitten. De man sloeg als een baksteen tegen de grond. Hij rolde als een gek heen en weer, doodsbang om zich heen trappelend, om te proberen het touw weer los te krijgen. Toen hem dat eindelijk lukte, kwam hij paniekerig weer overeind en rende hij verder. De toekijkende boogschutters konden hun lachen niet inhouden. Gilan hield de resterende mannen aan de oever scherp in de gaten. Zorgvuldig achter hun schilden hurkend trokken ze zich stukje bij beetje van de rivier terug. Hij kon zien dat ze geen idee hadden waar al die pijlen zo plotseling vandaan waren gekomen. Geen van hen keek naar de struiken waarachter zij zich schuilhielden. Ze zochten uitsluitend langs de oever van de rivier. Hij gaf ze nog enkele minuten de tijd en ze zetten hun aftocht behoedzaam voort. Naarmate een volgend salvo van pijlen langer uitbleef nam hun vertrouwen wat toe en kwamen ze wat verder overeind, tot ze – nog steeds met hun schilden voor zich – bijna hardlopend achteruit bewogen. ‘Walter, Gilbert, gaan,’ zei Gilan. ‘Blijf laag en zorg dat de struiken tussen jullie en die anderen in blijven. Als jullie bij de paarden zijn moeten jullie eerst naast ze meelopen. Als jullie vanuit het niets weggalopperen zien en horen ze jullie.’ De twee boogschutters knikten en bewogen in een soort eendenpas op hun hurken bij de struiken vandaan, tot ze veilig tussen de bomen belandden. Pas toen hij heel zeker wist dat ze waren vertrokken keek Gilan weer naar de overkant. De vijanden bekommerden zich, nu ze eindelijk veilig in het bos waren, om hun gewonde kameraden. De man die Gilan had geraakt, was er zo te zien het slechtst aan toe. Ze legden hem op de grond en hij zag hoe verschillende verzorgers een brancard voor hem brachten. Hun leider stond net als de vorige keer woedend te tieren, maar toen hij na enkele minuten doorkreeg hoe boos zijn manschappen op hem waren temperde hij zijn geraas en koos hij voor een meer verzoenende toon. Nestor, de leider van de boogschutters, kwam naast Gilan zitten en lachte zachtjes. ‘Denk je dat ze het nog een keer zullen proberen, Jager?’ vroeg hij. Gilan haalde zijn schouders op. ‘Ik weet niet of ze dat wel aandurven. Zodra ze het water in gaan zijn ze een heel eenvoudig doelwit, en dat weten ze zelf nu ook wel. Het zal hun leider niet meevallen ze over te halen. Ik kan niks anders bedenken dan dat ze de oversteek de volgende keer in volle wapenrusting wagen.’ ‘Maar dan verdrinken ze,’ antwoordde Nestor. Gilan dacht daar even over na. ‘Misschien lukt het met een zware borstplaat en een helm,’ zei hij toen. ‘Als ze de stroming kunnen weerstaan is het voor een goede zwemmer wel te doen.’ Nestor klopte op zijn koker, waarin de gevederde uiteinden van zijn pijlen zachtjes tegen elkaar aan ritselden. Hij pakte er een die aan de punt een geharde, spitse metalen kop had. ‘Tot we zo’n dingetje door de borstplaat heen jagen,’ zei hij. Deze pijlen met hun scherpe metalen punten waren speciaal bedoeld om door wapenrustingen heen te dringen. De boogschutters hadden er altijd wel een paar van bij zich, net als van die pijlen met aan de harde kop kleine weerhaakjes. ‘Dat is waar,’ zei Gilan instemmend. ‘Misschien weten ze niet eens dat we pijlen hebben die er dwars doorheen schieten. We hebben ze tot nu toe niet gebruikt.’ ‘Dat zal dan weer een erg vervelende verrassing voor ze zijn,’ stelde Nestor vast. Hij klonk alsof hij zich enorm op zo’n verrassing voor de vijand verheugde. Gilan bleef de Vossen nauwlettend in de gaten houden. Nu de grote drukte van de opvang van de gewonde zwemmers voorbij was, leek het erop dat er een verhitte discussie plaatsvond. De Jager kon vaag horen hoe er werd geschreeuwd en dat er allerlei boze stemmen weerklonken, maar wat ze precies zeiden was niet te ontcijferen. Maar waar ze het ook over hadden, het zou nog wel even duren voordat ze een volgende poging tot oversteken waagden. ‘Nestor,’ zei hij, ‘Ken en jij kunnen nu ook wel gaan. Vergeet niet tot aan de boomrand gebukt achter de struiken te blijven lopen. En rij rustig weg als je op je paard zit.’ Nestor haalde zijn neus op. ‘Ik wil anders ook best nog een tijdje hier blijven, hoor,’ zei hij. Gilan lachte naar hem. De oude krijger had hier blijkbaar plezier in. Maar hij wuifde het aanbod weg. ‘Dank voor het aanbod, maar jullie kunnen beter gaan. Ik kan hier nog wel een tijdje het fort bewaken.’ ‘Daar twijfel ik geen seconde aan,’ stemde Nestor in. Hij wist maar al te goed waartoe Gilan allemaal in staat was. Hij wist dat de Jager beter – véél beter – kon schieten dan hijzelf of welke van zijn manschappen ook. En Gilan was snel. Hij kon een hele regen aan pijlen, allemaal op een specifiek doel gericht, vrijwel tegelijkertijd door de lucht laten suizen, waardoor de vijand vaak dacht met minstens een man of vier te maken te hebben. ‘Goed, Ken,’ zei Nestor terwijl hij zich tot de andere boogschutter richtte. ‘We gaan ervandoor. Blijf goed laag.’ Net als de eerdere twee schutters haastten ze zich zo diep mogelijk gehurkt van achter de struiken naar het bos. Gilan keek ze even na en draaide zich toen weer naar de Vossen. Ze waren nog altijd druk aan het discussiëren en ze leken nog steeds aan twijfel ten prooi. Van die kant hoefden ze voorlopig weinig gevaar meer te vrezen, concludeerde hij. Hij besloot af te wachten om te zien wat hun volgende zet werd. Toen zich uiteindelijk weer activiteit ontplooide, bleek zijn eerdere, half voor de grap uitgesproken voorspelling bewaarheid te worden. Een groepje van vijf begaf zich gehurkt achter haastig in elkaar gezette manshoge houten schilden naar de oever van de rivier. Een van de mannen droeg een helm en een metalen borstplaat, en in zijn hand had hij een kleiner rond schild. Het was een gezet mannetje, en zijn postuur werd nog eens versterkt door alle wapenrusting die hij droeg. Gilan vermoedde dat hij onder zijn borstplaat ook nog wel een maliënkolder droeg. Hij pakte een van de pijlen met de scherpe metalen kop en wachtte af. Het groepje stopte een paar meter van de rivier vandaan. Een van hen wikkelde haastig een touw om het middel van de man in wapenrusting en trok zich meteen daarna weer snel terug achter de muur van schilden. Een tweede ging met de uitverkoren oversteker mee en beschermde hem met een lang schild. De drager van het schild liep met hem mee tot aan de waterkant en keek intussen zenuwachtig naar de overkant om te zien of daar enige beweging viel waar te nemen, of iets erop wees dat ze beschoten gingen worden. Zodra de man in wapenrusting zich in het water liet zakken en het water in waadde tot hij er tot zijn middel in stond, keerde de schilddrager zich om en zocht hij gauw de relatieve veiligheid van de muur van schilden achter zich op. De man in het water hief nu het kleine schild dat hij bij zich had omhoog, zodat zijn bovenlijf en zijn hoofd beschermd waren. Hij schoof heel langzaam vooruit, steeds voelend hoe sterk de stroming aan hem trok, om dan weer een voorzichtige stap naar voren te zetten. De aanname van Gilan bleek wel aardig te kloppen. De borstplaat en de helm hielden hem redelijk in evenwicht tegen de sterke stroming in het middenstuk. De ongelijke bodem van de rivier was wel een extra hindernis voor hem. Op de eerste tien meter moest hij al drie keer zijn uiterste best doen om niet om te vallen en in de rivier te verdwijnen. Telkens ging hij daarna weer iets voorzichtiger dan voorheen verder. ‘Voorzichtig,’ zei Gilan zachtjes. ‘Als je omvalt zullen ze je er heel snel weer uit moeten trekken.’ Nog drie stappen. De man wankelde even, maar herstelde zich. En weer verder. Hij was de rivier inmiddels voor een derde overgestoken en hij bleef zijn hoofd en zijn bovenlijf met zijn schild extra beschermen. Gilan keek bewonderend toe. Dit was een moedige man, zag hij, en intelligent bovendien. In tegenstelling tot degenen die voor hem het water in waren gegaan werd hij niet overmoedig als hij een tijdje geen teken van vijanden had waargenomen. Hij bleef alle mogelijke voorzichtigheid in acht nemen, en hij leek voorbereid op een volgend salvo van pijlen. Halverwege. De man bleef langzaam, maar gestaag voortbewegen. Als hij met zijn voeten weer eens dreigde weg te glijden liet hij, om zijn evenwicht te hervinden, zijn schild soms even zakken. Maar Gilan kon onmogelijk voorzien wanneer dat gebeurde en het schild was nooit lang genoeg naar beneden om hem te kunnen raken. Hij herstelde zich elke keer heel snel. Driekwart. De rivier werd geleidelijk ondieper, maar de man ging steeds verder gehurkt lopen zodat het water nog altijd bijna tot zijn nek kwam. En hij bleef ter bescherming van zijn hoofd en schouders het ronde schild boven zich vasthouden. Naarmate hij dichter bij de overkant kwam, schreeuwden zijn kameraden op de oever hem steeds luider aanmoedigingen toe. Het uitblijven van tegenstand maakte hen alleen maar enthousiaster. Vanuit het bos sloten de overige Vossen zich bij het zingen en schreeuwen aan. Hij was nu in het ondiepe gedeelte, maar bleef gehurkt achter zijn schild doorlopen. Gilan haalde een tweede pijl uit zijn koker en klemde die losjes tussen de vingers van zijn linkerhand. Meteen daarna kwam hij overeind en schoot hij. De man in zijn wapenrusting had net de oever bereikt en was bezig op het droge te klimmen. Er golfde aan alle kanten water van hem af, ook onder de metalen borstplaat vandaan. Hij bleef zich zo klein mogelijk maken en hield het schild onafgebroken voor zich. Tot de eerste pijl van Gilan het raakte en opzij sloeg. De tweede pijl was al onderweg toen de eerste nog in de lucht was. De man deed zijn best om zijn schild meteen na de klap weer voor zijn hoofd en schouders te brengen, maar de pijl was te snel. Hij raakte hem met alle kracht van Gilans zware boog in de borstplaat, die heel even onbeschermd was. Over zo’n geringe afstand was er tegen de geharde ijzeren pijlpunt geen enkel kruid gewassen. Die scheurde dwars door de borstplaat heen en raakte de man vol in zijn bovenlijf. Hij tuimelde achterover, terug het water in. Hij probeerde in het ondiepe water nog wel even overeind te blijven, maar de kracht van de klap was te groot geweest. De aanmoedigingen van de overkant vielen weg toen de Vossen lijdzaam moesten toezien hoe hun kameraad plotseling bewegingloos in het water lag. Gilan hield hem goed in de gaten. Het gewicht van de borstplaat, de helm en het schild zorgden dat de stroming geen vat op hem kreeg. De kans was levensgroot dat hij zwaar genoeg was om als anker voor het touw te dienen, waarna een volgende zwemmer de oversteek kon maken. Gilan vuurde een razendsnel salvo van zes pijlen op de mannen aan de overkant af. Ze sloegen pal na elkaar in en raakten schilden en onbeschermde ledematen. Dit was een klap te veel voor het groepje. De Vossen hadden al twee keer eerder zo’n regen van pijlen over zich heen gekregen, en nu was het genoeg. Zonder verdere omwegen draaiden ze zich om en renden ze weg. Gilan begreep dat alle aandacht voorlopig naar de vluchters uit zou gaan en maakte van de gelegenheid gebruik. Hij kwam achter de bosjes vandaan en sprintte naar de rivier toe. Hij trok onderweg zijn sax, boog zich bij de rivier over de dode man heen en sneed het touw los van diens bovenlijf. Het losse touw werd door de stroming meegenomen. Gilan keek er even naar en haastte zich daarna weer naar de rij struiken. Hij zou nog heel even wachten en dan Arnaut en de anderen achternagaan. Het zou wel een tijdje duren voordat de Vossen nog een keer probeerden over te steken, vermoedde hij.